(Neo = jong; Lithos = steen)

De vochtige en steeds warme zomers hadden in de jaren 6 à 5.000 v.C. in toenemende mate, struiken en bomen doen opschieten. Er zijn mengwouden ontstaan van eik, berk, beuk, linde, es en spork en uitgestrekte plekken hazelaars waar ook de late Mesolitiekers dankbaar gebruik van maakten. Noten zijn voedzaam.

neoli1

Ongeveer 5.000 v.C. komen in deze streken landbouwers vanuit Klein-Azië en de Donaulanden terecht. Ze waren op zoek naar vruchtbare gronden en brachten een geheel nieuwe manier van leven mee. Men had vastgesteld dat de zaden van bepaalde planten eetbaar waren en dat men deze planten kon vermenigvuldigen en veredelen. Men kwam er bijvoorbeeld toe de zaden die verspreid aan een stengel stonden, tot aren te ontwikkelen.

Ook begon men vruchtbomen te veredelen en planten te kweken met eetbare wortels. Ondertussen had men er dieren toe gebracht zich te wennen aan de menselijke aanwezigheid. Het werden huisdieren. Zo kreeg de mens eerst de hond tot zich en later geit, schaap en rund. Nog later volgden paard, ezel, kameel, ... Hij ontdekte het wiel en ook het vormen en bakken van aardewerk uit klei. Deze potten werden gebruikt voor het bewaren van voedsel en zaaigranen. Op platte stenen werden granen verbrijzeld en gemalen; koeken en broden werden in een oven gebakken.

Hij ontwierp nieuwe werktuigen zoals een geslepen bijl, een beitel, een pijlpunt met vleugels, een maalsteen, een silex-sikkel om te maaien, een stenen ploeg, een dissel, ... Het gebruikte materiaal bleef in hoofdzaak silex.

In plaats van uitsluitend jager en vruchtenverzamelaar, werd de mens nu ook boer. Hij werd productief in plaats van louter consumptief. Dit bracht een omwenteling teweeg in zijn levenswijze. In plaats van te wonen in tenten en rond te trekken, ging hij vaste woningen bouwen. Bossen werden gerooid om akkers aan te leggen. De wanden van de woningen worden gebouwd uit gevorkte boomstammetjes, waarin leggers geplaatst worden. Tussen de stammen vlecht men sporketakken, die dan met leem bestreken worden. De zadelvormige daken bouwt men met lange eiken palen, waarop men latten met twijgen vastsnoert en dan afdekt met riet en droog gras. Een gedeelte was bestemd om te wonen, een ander als verblijf voor dieren, de stal, en nog een ander voor de voorraden, de schuur.

Op het geleeg rond het huis lopen schapen, geiten en varkens. De huizen groepeerden zich bij vennen of waterlopen - want men had water nodig - en zo ontstonden gehuchten of buurtschappen. Rond de boerderijen bevonden zich tuintjes en kleine veldjes, die bewerkt werden met benen hakken, houten spades, en ploegen, getrokken door een os. De boer had tevens een wagen met schijfwielen. De runderen vinden hun voedsel in de graskanten van wegen en beken, en niet in het minst in het overvloedige schaarhout.

De boer ging zich nu ook kleden met geweven stoffen, die hij maakte uit de haren van zijn schapen en geiten (wol) en uit vezelplanten als vlas en hennep. Deze wol, haren en de vezels werden met de hand gesponnen tot draden door middel van spinschineoli2jven, die men deed draaien. De gesponnen draden werden op een stok gewikkeld, het spinrokken. Dan volgde het weven van de draden.

Eerst leefden boer en jager naast elkaar, maar vanaf 3.000 v.C. lijken ze zich steeds meer met elkaar te vermengen. De vondsten leren ons dat het Neolithicum van de jaren 2.500 v.C. algemeen verspreid was in onze streek. Geslepen neolithische silexbijlen werden bij ons teruggevonden op de Witteberg, bij de Achelse Kluis, langs de Prinsenloop, naast het Mulke, bij de Elshoeve en bij de Kiekoet. Ook mesfragmenten in silex komen veelvuldig voor, alsmede slijpstenen. Silexpunten werden gevonden bij de Hoge Berg en bij de Kiekoet.

Wat de religiositeit betreft: deze uit zich in die tijd vooral in vruchtbaarheids- en zonnecultussen. De afgestorvenen werden begraven in grafheuvels.