Grevenbroekmuseum vzw

Oudheid


 De Oerknal

 

Neanderthaler in het Grevenbroekmuseum

 

De reizende tentoonstelling “neanderthalers in Europa” was bijzonder succesvol. Ze werd volledig in eigen regie gemaakt door het Provinciaal Gallo-Romeins Museum in Tongeren. Ze startte er in 2003 en lokte ruim 150.000 bezoekers. Ze werd vervolgens in Hamburg, Venlo, Asse en Salzburg getoond.

Uit deze collectie heeft het Grevenbroekmuseum onlangs op een speciale veiling in Antwerpen een zeer markant neanderthalerbeeld kunnen kopen. Het beeld is gemaakt uit zachte kunsthars en is bijzonder levensecht. Het werd gemaakt door atelier Zephyr, onder leiding van Dirk Claesen. Dat atelier heeft wereldwijd een zeer sterke reputatie.

Ish, de ijstijdman (naam gekozen door Evelien Derickx, Hamont-Achel)


neanderthaler 2

Vanaf 180.000 jaar geleden trokken er neanderthalers door Europa en ook door onze regio.

Ze verbleven in tijdelijke openluchtkampen en joegen op kuddedieren, zoals op de oeros, het wilde paard, het edelhert, de steenbok, het everzwijn, de wolf en soms op de mammoet en de wolharige neushoorn. De neanderthalers gebruikten dierenhuiden als kleding en als tentmateriaal. Overwinteren deden ze meestal in grotten zoals te Spy bij Luik, of onder een overstekende rotswand. Het is op deze plaatsen dat de meeste beenderen van hen zijn gevonden, omdat ze daar beter bewaard bleven dan in open lucht.

De neanderthalers hadden een gedrongen gestalte, waren sterk en beter aangepast aan de koude dan de huidige mens. Hun hersenen waren groot. Ze waren handig, konden logisch denken en waarschijnlijk ook praten. Ze zorgden voor hun zieken en zwakkeren en ze begroeven hun doden.

Van silex of vuursteen maakten ze werktuigen zoals schrabbers en vuistbijlen. Schrabbers worden gebruikt om dierenhuiden schoon te schrapen of om hout te ontschorsen.

In Veldwezelt zijn kampen van hen gevonden, maar ook in de omgeving van de Achelse Kluis werd een silexschaaf gevonden, waarschijnlijk gemaakt door neanderthalers.

30.000 jaar geleden stierf de neanderthaler uit. Over de oorzaak hiervan verschillen de antropologen van mening. 15.000 jaar geleden verbetert het klimaat en komt de huidige mens naar onze streek.

De afbeelding van de oeros die in Achel in de Haag werd gevonden, is in een jongere periode gegraveerd en werd door jagers-verzamelaars circa 10.000 jaar geleden achtergelaten.

Het Grevenbroekmuseum houdt eraan om de stad Hamont-Achel te danken voor de aankoop van het neanderthalerbeeld. Het wordt vanaf heden tentoongesteld in het Grevenbroekmuseum.

Beeldverslag ©2011 TV Limburg

 terug

 

 

 

PALEOLITHICUM

(Paleo = oud; Lithos = steen)

 

 

MESOLITHCUM

(Meso = midden; Lithos = steen)

Na de jaren 9.000-8.000 v.C. kregen wij een warmer klimaat. De laatste ijstijd was definitief voorbij. Door het smelten van de poolkap kregen de Noordzee en het Kanaal een hogere waterstand en ons westelijk halfrond werd overdekt met meren en plassen. Er kwam overdadige aangroei van wouden en struiken, waardoor het groot wild uit onze streken verdween.

In plaats daarvan kwam er een overvloed van vis en watervogels. De geleidelijke temperatuursstijging en de toenemende vochtigheid hadden tot gevolg dat omstreeks 5.000 v.C. het landschap door loofwouden, moerassen en vennen werd beheerst. Oerrunderen, herten, wilde zwijnen en kleinwild bevolkten deze bossen.

Dit gematigde klimaat kennen we nog steeds. In een nu zonnig landschap met kabbelende beken en uitgestrekte vennen leven tussen berkenbossen en loofhout steeds groepen jagers. Ze zijn eerder klein van gestalte maar uiterst behendig en vindingrijk.

mesol1

Zoals de oude jagers op groot wild verzamelen zij vruchten en eetbare planten, maar richten zich uiteraard vooral op visvangst en waterwild.

De mensen van toen trokken minder rond. Zij vestigden zich, soms voor meerdere seizoenen, in hutten van palen, gevlochten takken, riet en droog gras, op de zandige hoogten nabij waterpartijen.

Meermaals staan er een tiental hutten van verwanten bij elkaar en vormen kleine dorpen waar klein en groot steeds bedrijvig is voor de gemeenschap.

Over hun dodenverzorging is weinig bekend. Zij blijken wel vernuftig te zijn geweest in het vervaardigen van stenen tuigen: allerhande pijlpunten, mesjes, boortjes, krabbers en visangels.

Ook gebruikten zij kano's en kenden zij de hond als eerste huisdier.

In Achel werden meerdere woonplekken ontdekt waar mensen uit die tijd zich ophielden, nl. op de Buitenheide, aansluitend bij de plekken langsheen Dommel en Hageven, op de hoge Berg in de nabijheid van de Warmbeek, bij de vennen van Pastoorsbos, op Rozendaal, enz.

Deze plekken vertoonden de bekende Mesolithische sites met sporen van ronde hutten, die een diameter van 3 à 4 m hadden en die binnenin uitgediept werden. Door de blootgelegde paalgaten konden de afmetingen opgetekend worden. De resten van haardvuren en silexafslag wezen duidelijk op bewoning.

Soms werd alleen een halve kring paalgaten rond een haardvuur gevonden. Zulke constructie doet dan denken aan eenvoudige windschermen.

mesol2

De gevonden werktuigen uit silex zijn zeer gevarieerd en doorgaans klein van uitvoering. Opvallend is het gebruik van kwartsiet van Wommersom, een vervangmateriaal van silex.

Mogelijk was dit laatste zeldzaam of kostelijk geworden. Zij vervaardigden een weelde van pijlpunten in allerlei vormen, waarschijnlijk om te dienen bij verschillende soorten jacht en voor verschillende prooien.

Het moeten vernuftige en bekwame jagers geweest zijn. Typisch voor deze tijd zijn ook de lemmers met inkepingen.

Waarschijnlijk zijn het pijlschachtschrabbers om houten pijlschachten effen en glad te maken. Typisch voor dit vissersvolk zijn ook de visangels in silex om waterwild en vis te vangen, de heel kleine pijlpuntjes (microlithen) en de trapeziumvormige silexpijlpunten (dwarspijlen).

Uiteraard kenden zij ook de visfuik, gemaakt uit wilgentenen. Graafwerk deden zij met brede geweistukken.

Als drinkgerief gebruikten zij de holle hand, schelpen en schalen van vruchten. Een bijzondere cultuuraanwinst vormden kano's, de eerste vaartuigen, gebruikt voor de visvangst en de jacht op waterwild.

Ook een aanwinst was het africhten van de wolf, die als hond het eerste huisdier werd en de trouwe helper bij de jacht.

terug

 

 

 

 

NEOLITHICUM

(Neo = jong; Lithos = steen)

De vochtige en steeds warme zomers hadden in de jaren 6 à 5.000 v.C. in toenemende mate, struiken en bomen doen opschieten. Er zijn mengwouden ontstaan van eik, berk, beuk, linde, es en spork en uitgestrekte plekken hazelaars waar ook de late Mesolitiekers dankbaar gebruik van maakten. Noten zijn voedzaam.

neoli1

Ongeveer 5.000 v.C. komen in deze streken landbouwers vanuit Klein-Azië en de Donaulanden terecht. Ze waren op zoek naar vruchtbare gronden en brachten een geheel nieuwe manier van leven mee. Men had vastgesteld dat de zaden van bepaalde planten eetbaar waren en dat men deze planten kon vermenigvuldigen en veredelen. Men kwam er bijvoorbeeld toe de zaden die verspreid aan een stengel stonden, tot aren te ontwikkelen.

Ook begon men vruchtbomen te veredelen en planten te kweken met eetbare wortels. Ondertussen had men er dieren toe gebracht zich te wennen aan de menselijke aanwezigheid. Het werden huisdieren. Zo kreeg de mens eerst de hond tot zich en later geit, schaap en rund. Nog later volgden paard, ezel, kameel, ... Hij ontdekte het wiel en ook het vormen en bakken van aardewerk uit klei. Deze potten werden gebruikt voor het bewaren van voedsel en zaaigranen. Op platte stenen werden granen verbrijzeld en gemalen; koeken en broden werden in een oven gebakken.

 

Hij ontwierp nieuwe werktuigen zoals een geslepen bijl, een beitel, een pijlpunt met vleugels, een maalsteen, een silex-sikkel om te maaien, een stenen ploeg, een dissel, ... Het gebruikte materiaal bleef in hoofdzaak silex.

In plaats van uitsluitend jager en vruchtenverzamelaar, werd de mens nu ook boer. Hij werd productief in plaats van louter consumptief. Dit bracht een omwenteling teweeg in zijn levenswijze. In plaats van te wonen in tenten en rond te trekken, ging hij vaste woningen bouwen. Bossen werden gerooid om akkers aan te leggen. De wanden van de woningen worden gebouwd uit gevorkte boomstammetjes, waarin leggers geplaatst worden. Tussen de stammen vlecht men sporketakken, die dan met leem bestreken worden. De zadelvormige daken bouwt men met lange eiken palen, waarop men latten met twijgen vastsnoert en dan afdekt met riet en droog gras. Een gedeelte was bestemd om te wonen, een ander als verblijf voor dieren, de stal, en nog een ander voor de voorraden, de schuur.

Op het geleeg rond het huis lopen schapen, geiten en varkens. De huizen groepeerden zich bij vennen of waterlopen - want men had water nodig - en zo ontstonden gehuchten of buurtschappen. Rond de boerderijen bevonden zich tuintjes en kleine veldjes, die bewerkt werden met benen hakken, houten spades, en ploegen, getrokken door een os. De boer had tevens een wagen met schijfwielen. De runderen vinden hun voedsel in de graskanten van wegen en beken, en niet in het minst in het overvloedige schaarhout.

De boer ging zich nu ook kleden met geweven stoffen, die hij maakte uit de haren van zijn schapen en geiten (wol) en uit vezelplanten als vlas en hennep. Deze wol, haren en de vezels werden met de hand gesponnen tot draden door middel van spinschineoli2jven, die men deed draaien. De gesponnen draden werden op een stok gewikkeld, het spinrokken. Dan volgde het weven van de draden.

Eerst leefden boer en jager naast elkaar, maar vanaf 3.000 v.C. lijken ze zich steeds meer met elkaar te vermengen. De vondsten leren ons dat het Neolithicum van de jaren 2.500 v.C. algemeen verspreid was in onze streek. Geslepen neolithische silexbijlen werden bij ons teruggevonden op de Witteberg, bij de Achelse Kluis, langs de Prinsenloop, naast het Mulke, bij de Elshoeve en bij de Kiekoet. Ook mesfragmenten in silex komen veelvuldig voor, alsmede slijpstenen. Silexpunten werden gevonden bij de Hoge Berg en bij de Kiekoet.

Wat de religiositeit betreft: deze uit zich in die tijd vooral in vruchtbaarheids- en zonnecultussen. De afgestorvenen werden begraven in grafheuvels.

 terug

OEROS OP MERGELSTEEN

De Achelse heemkundekring kreeg in haar driemaandelijks tijdschrift "De Achelse Kapetulie" de primeur om bekendheid te geven aan de vondst en de studie betreffende een zeldzaam prehistorisch voorwerp. Het gaat om een stuk mergelsteen met daarop de gravure van een oeros, gevonden in Achelse grond in 1988.

De mergelsteen ligt in een vitrine van het Grevenbroekmuseum. Toen Neerpeltenaar Yvo Coninx - lid van de plaatselijke heemkundekring en amateur-archeoloog in vooral de prehistorie - de steen onder ogen kreeg, trok het zijn aandacht en maakte hij er een studieobject van. Hij kwam tot verrassende vaststellingen. Het bleek een zeer zeldzame vondst te zijn, vergelijkbaar met tekeningen van mensen en dieren op wanden van grotten in onze omringende landen. Het artikel hieronder van Yvo Coninx werd in de Achelse Kapetulie gepubliceerd.

 

Het mag op zich al een wonder heten dat deze mergelsteen met afbeelding van een oeros de tijdspanne van 1988 tot op heden heeft overleefd. Op 16 mei 1988 werd de steen ontdekt bij het uitgraven van een stookolietank. Eigenaar Chris Deraedt vond de steen op een diepte tussen 50 en 150 cm. Zijn huis is gelegen in de Haag, niet toevallig een hoger gelegen plaats in Achel.

museum 2 191 JPS Mergelsteen met rundNa de vondst werd de steen in de garage bewaard, waar de kinderen hem later vonden en er buiten mee speelden. Op dat ogenblik werd hij getoond aan hun achterbuur, Jean-Pierre Sleurs, die er prompt een foto van maakte (zie eerste foto met de steen in het gras).

Later vond Jean-Pierre de steen terug op zijn grondstuk en niet direct wetende wat hij ermee moest doen, legde hij hem voorlopig langs de vijverrand, waar hij hem enkele jaren later terugvond. De steen was ondertussen op de vochtige grond begroeid met mos. Jean-Pierre behandelde hem vervolgens met maerl of koraalalgenkalk, om het mos te doden en spoelde hem later af. Daarbij verdween echter ook het grootste gedeelte van de oorspronkelijke zwarte opvulling (zie foto hieronder – de steen met de afbeelding van de oeros zoals hij thans is.)

Hoe weten we dat deze afbeelding een oeros voorstelt? (soort: bos primigenius)

Als men enige kennis heeft van prehistorische (grotwand)kunst, dan zijn er talrijke voorwerpen en rotswanden te vinden waarop oerossen zijn afgebeeld. In België bestaat er een afbeelding van een oeros, met op de achtergrond een rendier of hert, gegraveerd op een leisteenplaat. Deze afbeelding werd gevonden in een grot bij Chaleux waar jagers-verzamelaars van het magdelien verbleven hebben. Verder zijn er vondsten van botten en afbeeldingen van de oeros gevonden te Gönnersdorf (Dl), Lascaux (Fr), Font-de-Gaume (Fr), Teyat (Fr), Chauvet (Fr), La Ferasserie (Fr), Andernach (Dl), La Pileta (Sp).

geert oeros2Tijdens een bezoek aan het Tiendenmuseum van Weert troffen we in de vitrinekast op de afdeling archeologie, de hoorn van een oeros aan. Het plaatje met uitleg vermeldt dat deze hoorn gevonden werd in Altweert in een gracht. Op zich bewijst dit toch wel dat deze runderen in onze streken voorkwamen.

Waar leefde de oeros?

In het jong pleistoceen (circa 120.000 jaar geleden) leefde de oeros in Europa, Azië en Noord-Afrika. Hij kwam vooral voor in moerassen, bossen, rivierdalen en rivierdelta’s; dus vooral in natte gebieden, waar hij zich voedde met grassen, kruiden en bladeren van de bomen. In Europa verdween de oeros in de 17de eeuw, vermoedelijk omdat zijn woongebied door de mensen werd ingepalmd. De huidige gedomesticeerde runderen stammen af van de oeros. De oerosstier was groter dan de huidige stier en was zwartbruin tot zwart van kleur, en had een schofthoogte van twee meter en een gewicht van circa 1.000 kg. De koeien en kalveren waren roodbruin van kleur. De horens van de oeros waren karakteristiek voor de soort en waren naar voor gericht en lichtjes naar binnen gekromd.

oeros3Tekening van een oeros uit de 17de eeuw

De stieren leefden gescheiden van de kudde koeien met kalveren en rond de paartijd kwamen de stieren bij de kudde om de koeien te dekken. De oudste fossielen van de oeros die in Duitsland in 1996 werden gevonden in het Jüllmecketal, Nordrhein-Westfalen zijn 275.000 jaar oud. Tevens werden er botten van de oeros ontdekt zowel bij de Maas te Lith, Roermond en in de Noordzee. Zowel de Neanderthaler als de Cro-Magnonmensen maakte jacht op deze dieren.

De vermoedelijke oudste afbeeldingen van de oeros, gevonden in de grotten van Chauvet (Fr), werden gedateerd op ca. 32.000 jaar oud, bijna dubbel zo oud als de vondsten in Lascaux (Fr) en Altamira (Sp).

De grotten van Lascaux werden in 1942 ontdekt en de grotten van Altamira in 1868. De beroemdste onderzoeker ervan was Abbé Breuil. Sinds zijn dood, nu vijftig jaar geleden, hebben de absolute dateringen van nu de conclusies van toen overhoop gehaald. Het werk van Breuil is daardoor voorbijgestreefd en dient daarom te worden bijgesteld. Maar aan interpretaties durven de archeologen zich thans niet meer zo vlug wagen.

Waarom werden er afbeeldingen van dieren gemaakt?

Een moeilijke vraag. Jachtmagie speelde zeker mee bij het kiezen van een dier dat men ging afbeelden. In eerste instantie werd een dier afgebeeld dat men kende en dat men regelmatig zag. Het kon afgebeeld worden om zeker te stellen dat de jacht goed verliep en dat er voldoende voedsel kon vergaard worden, of mogelijk simpelweg als een kunstuiting van de gekende leefwereld. Door voor ons onbekende symbolen toe te voegen, creëerden de kunstenaars een eigen leefwereld. Bij de afbeelding van de Achelse oeros zijn geen toegevoegde symbolen te bespeuren. Het is een afbeelding van een dier dat in de tijd van de kunstenaar leefde, zonder franjes maar wel met respect voor het dier. Men kan het beschouwen als een ‘art mobilier’, een kunstwerk dat door de trekkende mens op zijn tochten werd meegenomen.

Ultraviolette opnamen door het museumteam gemaakt, tonen aan dat op dit kunstwerk géén schilderingen werden aangebracht zoals op de grotschilderingen van Lascaux en Altamira. Daar kwamen er met ultraviolet licht details aan het licht die niet met het blote oog waarneembaar waren en werden er ook schilderingen beschadigd door inwerking van water en invloeden van de aanwezige lucht.

oeros4a

Een prachtig voorbeeld van een afbeelding van een oeros werd in de grot te Chaleux in de Ardennen gevonden (zie foto). Het is een leisteenplaat van circa 80 cm breedte waarop een oeros en op de achtergrond een rendier of een hert zijn gegraveerd. Deze plaat kon gebruikt geweest zijn om rituelen uit te voeren tijdens samenkomsten met andere groepen van dezelfde stam.

Zijn er vergelijkbare vondsten in mergel te vinden in de lage landen?

Ja, maar merkwaardig genoeg werd hier door de Nederlandse archeologen weinig aandacht aan besteed. Hiervoor moeten we naar Valkenburg gaan in Nederlands-Limburg, waar in 1931 tijdens het onderzoek naar middeleeuwse vluchtgangen bij toeval een opgevulde, afgesloten en daardoor onbekende “abri sous roche” in de voet van de mergelheuvel werd ontdekt. In de achterwand van die schuilplaats bleken afbeeldingen van mensen en dieren te zijn gegrift (zie foto met omkijkend hert naar een man met een speer).

oeros4b

oeros6

Men twijfelde eraan of de gravures door blootstelling aan de lucht behouden konden blijven. Vakmensen van de Universiteit van Leiden maakten gietvormen van de wandfragmenten. Deze afgietsels werden bewaard in het Streekmuseum van Valkenburg.

In de jaren zestig bezwijken de verrotte en in 1931 geplaatste stutten voor het afdak in de abri en na verloop van tijd wordt de grot opgevuld met puin, waardoor de gravures aan het oog worden onttrokken (zie ook foto hierboven rechts met omkijkend mannetje met speer).

En dan wordt het stil rond de rotsgravures van Valkenburg, tot in 1982 het retoucheer-steentje met de “Venus van Geldrop” werd tentoongesteld in het Noord-Brabantse museum te ’s Hertogenbosch, met als bijschrift: “authenticiteit betwijfeld”. Met de Venus van Geldrop wordt een gravure bedoeld die een jonge vrouw voorstelt, gegraveerd op een retouchoir. Dit steentje was afkomstig uit een Ahrensburg kampement in de omgeving van Geldrop, waar het in 1956 werd gevonden en op dat ogenblik niet werd herkend als een kunstwerk doordat het vuil was en tussen de hoop gevonden stenen van de nederzetting werd gelegd.

Het rumoer rond de geopperde twijfels van deze kunstuiting trok de aandacht van de heer A. Span, een in Achel wonende Hagenaar die afgestudeerd was in de kunstgeschiedenis en culturele prehistorie. Hij was lange tijd woonachtig geweest in Zuid-Frankrijk waar hij vooral de verschillende kunstvormen uit de laat-paleolithicum bestudeerde.

Dhr Span heeft als een van de weinige archeologen in 1951 de gravures te Valkenburg bezichtigd. Toen hij vernam dat in Nederland twijfels waren gerezen rond de echtheid van de “Venus van Geldrop” kwamen bij hem de gravures van Valkenburg terug in herinnering.

Het was dhr D. Stapert, archeoloog aan de Groningse Universiteit die zijn twijfel uitsprak over de echtheid van de gravering door de ‘afwijkende stijl’ van de figuur. Waarop dhr Span terecht de vraag stelde van welke stijl deze figuur dan afweek. Er waren in Nederland toen nog geen andere vergelijkende voorwerpen gevonden, tenzij … de gravures in Valkenburg. Maar die waren niet bekend, noch bij de officiële archeologen, noch bij de amateurs, op enkele uitzonderingen niet te na gesproken.

Het is in deze context dat dhr Span de Valkenburgse gravures als eind jongpaleolitische kunst, omstreeks 8.900 V.X. plaatste op basis van hun kunstuiting.

Wat hebben de gravures van Valkenburg gemeen met de afbeelding van de oeros van Achel ?

Voorlopig zijn beide soorten van gravures tot nog toe de enige bekende die in mergelsteen zijn uitgevoerd en op betrekkelijke korte afstand van elkaar zijn gevonden. De oeros kan hierbij als een soort “art mobilier” beschouwd worden. Een reizend beeldje waaraan vermoedelijk zeer groot belang werd gehecht en als een voorwerp van verering werd beschouwd.

De gravures van Valkenburg zijn, in tegenstelling met de vindplaats te Achel, een verblijfplaats onder een “abri sous roche” waar de jager-verzamelaars verbleven tijdens hun verblijf in wintertijd.

Aangezien de gravure van Achel een losse vondst is zonder archeologische context, valt moeilijk te achterhalen om precies welke groep van jager-verzamelaars en in precies welke periode deze mensen te Achel verbleven hebben.

Dat is ook niet van het allergrootste belang; wat hier vooral telt is dat er een nieuwe link met de gravures van Valkenburg kan gelegd worden.

Na een bezoek aan het Grevenbroekmuseum wordt – in juni 2010 - de gravure van de oeros verder besproken bij een Achelse trappist.

oeros7V.l.n.r: Yvo Coninx, Pieter Dijkstra uit Nederland, René Winters en Jean-Pierre Sleurs. Noël Van Elsen uit Hamont was ook aanwezig en maakte bijgaande foto.

Laten we daarbij niet vergeten dat nog andere, zeer belangrijke jongpaleolithische vondsten werden gedaan zoals de “ Venus van Geldrop”, gevonden in een opgravingsput in 1961. En later in 1989 “de danser van Wanssum” die in een collectie van opgravingen, uitgevoerd tussen 1955 en 1965, werd herkend door Drs.L. Verhart.

Beide vondsten zijn van officiële archeologische zijde nooit in verband gebracht met de gravures van Valkenburg. Zelfs een vermelding van het bestaan van de Valkenburgse gravures wordt nergens gepubliceerd!

Maar niet getreurd. Toen de vondst van de “Danser van Wanssum” op 14 maart 1989 wereldkundig werd gemaakt door Drs. Verhart van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, was dit de aanleiding voor de werkgroep Archeologie om hier verder onderzoek naar te doen (zie foto hieronder, nr. 1).

Pieter Dijkstra en Jan Groels (de vinder van de Venus van Geldrop, zie foto hieronder, nr. 2) en André Span kregen de mogelijkheid om dit steentje in lydiet waarop de figuur van de danser is afgebeeld, uitvoerig te bestuderen. Eerstgenoemde voor de materiaalstudie en André Span voor de stilistische analyse.

oeros8

Laten we uit deze studie vooral onthouden dat er duidelijk verwijzingen zijn zowel van de Venus van Geldrop naar de gravures van Valkenburg en de danser van Wanssum en omgekeerd. Volgens André Span, kan op subjectieve basis gezegd worden dat de gravures van Valkenburg stilistisch de oudste zijn, gevolgd door de danser van Wanssum en dan de Venus van Geldrop. We mogen niet vergeten dat de jongpaleolithische kunst vanaf 15.000 V.Chr. een hoogtepunt bereikte, behalve wat de menselijke figuren betreft. Die behielden een karikaturaal karakter.

Dat de wetenschap thans hernieuwde belangstelling heeft gekregen voor het kweken van oerossen brengt deze vondst eveneens in de actualiteit. Immers oerossen waren nu eenmaal de grootste runderen die in Europa rondliepen. Italiaanse wetenschappers willen daarom trachten het genoom van dit dier te herconstrueren door het DNA van bestaande diersoorten die het best aan de oeros kunnen gelinkt worden, te kruisen. Dit zijn de Highlandrunderen uit Schotland en het vee uit de Maremmen in Italië.

 

 

Geraadpleegde bronnen:

- The distribution of large hinted fauna in Middle and Western Europe during the late Upper Pleistocene. A critical contribution. Jordi Serangeli. ISSN 1438-8618 Tübinger Arbeiten zur Urgeschichte.

Archeologische berichten nr. 14 – 1983

- Prehistorische grotwandkunst ook in Nederland?Jazeker, en bovendien in relatie tot de “Venus van Geldrop” door André Span

- Rendierjagers ook in Valkenburg (Z.L.) door A.M.Wouters

Enige feiten betreffende het onderzoek der prehistorische gravures te Valkenburg, Limburg, met opmerkingen door A.Span 1985

Archeologische berichten nr. 18- 1987

- De identiteit der Valkenburgse gravures door A.Span

Les gravures rupestres de Valkenburg (Pays-Bas) par Renée L.Doize

- Extraits de congrès préhistorique de France – compte rendu de la XVme session – Poitiers-Angoulème 15-22 juillet 1956

- Wikipedia, de vrije encyclopedie – Oeros

- De Morgen 22/01/2010 – wetenschappers blazen oeros nieuw leven in.

- Archeologie No 1 1989 – De danser van Wanssum. De danseres van Geldrop kreeg een partner. Door P.Dijkstra en Jan Groels, met een bijdrage van dr. A.Span.

- Archeologie No 2 1990 – “Budel II” Vindplaats van een Epigravettien uit Budel-Dorplein (1) door Ad Wouters.

 

EPILOOG

Voor sommige uitspraken heb ik geput uit verslagen afkomstig van de heer André Span, een Hagenaar die 16 jaar in Achel heeft verbleven en met wie ik meermaals in nauw contact ben geweest in verband met archeologie.Voor zijn werk heeft hij 12 jaar in de Dordogne verbleven in het stadje Le Lardin. In 1993 is hij onverwacht overleden. Op late leeftijd doctoreerde hij in München op een proefschrift over middeleeuwse krijgskunde, kastelen en wapenuitrustingen. Zijn hart had hij echter verpand aan de prehistorie en had zich gespecialiseerd in de grotwandkunst. Als één van de weinigen had hij de kans om in 1951 de Valkenburgse gravures te bestuderen toen deze nog te bezichtigen waren. Vandaar zijn pleidooi om het belang van de enige grotwandkunst in Nederland te bewaren voor het nageslacht.

Door zijn lange verblijf in Achel heeft André in Archeologische Berichten nr. 18 uit 1987, de tijd genomen om een artikel over de Achelse Tomp te schrijven. Onder de titel “Een middeleeuwse versterking in het Broekland van Achel, België”.

Yvo Coninx, Neerpelt

 

terug

 

BRONSTIJD

Deze benaming stoelt op iets nieuws in de menselijke geschiedenis, nl. het gebruik van metaal. De eerst gebruikte metalen waren goud en koper. Beide kunnen koud gesmeed worden en gehamerd tot één of andere vorm, tot kleine bekers, sierplaatjes, en koperen messen en bijltjes.

Door de ontdekking van het brons, een legering van tin en koper, kwam men tot nieuwe mogelijkheden en bedrijvigheid. Nu kon men door gietvormen betere messen, bijlen, pijlen, speerpunten, zwaarden en sierraden maken.

Een belangrijke handelsbedrijvigheid kwam tot stand doordat de grondstoffen voor brons zowel uit landen rond de Middellandse Zee (Cyprus, Egypte) als uit Brittannië (tin) moesten aangevoerd worden. Met schepen en huifkarren, langs bekende trekwegen, geraakten de bronzen tuigen in onze streken. Ondertussen waren er, door het onoordeelkundig kappen van de wouden door de neolithische boeren, uitgestrekte heidevlakten ontstaan. Deze bleken uiterst geschikt voor schapenkudden, die door hun wol, vlees en melk zelfs een soort welstand konden scheppen.

brons1

Een nieuwe boerenstand ontstond, die in de plaats van planten, zaaien en ploegen meer toekomst zag in het herdersleven. In onze uitgestrekte heidevlakten ontstonden door de nieuwe aanpak grote heihoeven, waar blijkbaar weelde heerste. Men kende zelfs gouden sieraden.

De bronzen voorwerpen, die handelaars vanuit het zuiden aanbrachten, werden graag gekocht of geruild. Het waren bijlen, eerst vlakbijlen, later kokerbijlen, messen, zwaarden, speerpunten, ook scheermesjes, armbanden en ringen. De woningen waren steeds gebouwd met hout, leem en riet, zonder vensters en met een gat in het dak voor de rook van het haardvuur.

De kleding werd steeds beter en van zuiderse handelaars betrok men de betere bronzen tuigen. Meerdere depots van deze trekkers werden teruggevonden. In de nabijheid van de schaapshoeven werden de grote grafheuvels opgericht, waarin de overledenen met hun beste kledij en met wapens en tuigen voor 't ander leven in boomstamkisten werden bijgezet. Deze heuvels werden met heideplaggen of graszoden gebouwd. De gewoonte ontstond om deze te omringen met grachten en palenkransen.

Als bronzen voorwerpen uit die tijd kunnen wij een kokerbijl vernoemen die in de Verkensbos gevonden werd, een bronzen mes nabij Beverbeek en fragmenten van bronzen ringen en armbanden op de Haart. Op deze plek ontdekte de opgravingdienst onder leiding van Dr. H. Roosens grote terpen met palenkransen uit de jaren 1.200 v.C., bronstijdgraven. De sporen van de hoeven in de heide doken tot nu toe nog niet op. Misschien zijn de huidige hoeven op de Haart er een voortzetting van.

 terug

 

IJZERTIJD

Toen omstreeks 800 v.C. de mens ontdekte dat hij uit de ijzerertslagen van de Kempen bruikbaar ijzer kon smelten en smeden, betekende dit een nieuw gebeuren met nieuwe gevolgen.

Dit zou trouwens in heel Europa het geval zijn. Het ijzer gaf immers de mogelijkheid veel en geduchte wapens te maken, met het gevolg dat vele veroveringsoorlogen plaats grepen.

ijzer1

De werktuigen werden ook beter en functioneler.

De mensen woonden steeds in huizen van hout en leem, die in groepen bij elkaar stonden, in buurtschappen. Typisch voor deze periode zijn de kleine akkertjes, ongeveer 40 m in het vierkant.

In onze streek werden er sporen van teruggevonden. Je ziet ze door heel Europa verspreid en ze zijn bekend onder de naam Old-tidsagre (Denemarken) of Celtic Fields (Engeland). Deze laatste, overigens foute benaming, wordt steeds meer gebruikt.

De akkertjes werden omheind met hekken om het wild en vee buiten te houden. Onkruid, stenen en boomstronken die uit het veld verwijderd werden, werden er tegenaan gegooid. Daarop kwam later weer grond. Zo ontstaan wallen, waarop later weer struiken en bomen groeien, die de boer als brandhout benut. De wal dient ook als windvang tegen zandverstuivingen.

Heel wat loofbos werd ontgonnen. Omdat men geen mest kende liet men de veldjes enkele jaren braak liggen om ze te laten herstellen. Men ontginde dan andere plekken. Omdat de mensen ook verder van de rivieren woningen optrokken, werd er gezorgd voor waterputten. Het zijn eigenlijk kunstmatige bronnen, in de regel gebouwd met uitgeholde boomstammen of plaggenkokers.

In deze nieuwe cultuur, op basis van ijzeren werktuigen en wapens, herkennen we voor een deel de Bronstijd in kledij, keramiek enz. De mens wordt wel meer en meer boer, met grotere graanvelden en allerhande vee.

De woningen zijn minder groot, doch er komen schuren en bijgebouwen. Alles is steeds in hout, leem en riet. De boer uit de IJzertijd verbouwt gierst, rogge en tarwesoorten voor brood, gerst voor bier, vlas voor olie en weefsels, planten voor kleurstoffen en allerlei groenten en kruiden. De veestapel bestaat vooral uit koeien, varkens, schapen en kippen. Er zijn misschien ganzen, er is de geit en bij de rijke boer een paard. Koeien leveren melk, vlees en huiden.ijzertijd

Net als varkens en paarden zijn ze één derde kleiner dan tegenwoordig en worden ze niet vetgemest. Met de komst van de Romeinen worden deze dieren opgefokt tot vleesdieren, het voedsel van de legioensoldaten. Ook ganzen worden dan vetgemest en verhandeld.

Zoals bekend, kwam in deze tijd met de veroveringen van Julius Caesar de Romeinse cultuur in onze streken. Aardewerkresten van inlandse makelij worden samen met de Romeinse resten gevonden.

Omdat de Romeinen gebeurtenissen optekenden, laat men hier de eigenlijke prehistorie of voorgeschiedenis ophouden. Hier begint voor ons de geschreven geschiedenis. Nochtans bleven heel wat prehistorische gewoonten nog meerdere generaties in zwang, zoals het gebruik van urnen, de manier van huizen bouwen, de kleding, de waterputten, vele werktuigen, enz.

De Romeinse cultuur, samen met het christendom trouwens, zal zich geleidelijk ontwikkelen en verspreid worden. Bijzonder typisch voor de IJzertijd zijn de urnengrafvelden. De overledenen werden gecremeerd en dan bijgezet in een urne. Deze urnen werden begraven onder een grote of kleine terp, die omgeven werd door een gracht of palenkrans, een traditie uit de Bronstijd. Meerdere riten en plechtigheden blijken trouwens plaats gehad te hebben bij deze teraardebestellingen en ook erna.

Men kende een echte dodencultus met offervuren, offergaven, enz. De talrijke teruggevonden grafvelden wijzen op een belangrijke bewoning in die tijd. De Romeinen pratikeerden het begraven van de overledenen (inhumatiecultus), maar ook het verbranden en bijzetten in urnen (crematiecultus).

De Franken en de Merovingers kenden alleen de inhumatiecultus met uitgestrekte rijengrafvelden. De christenen zullen dit overnemen, maar de graven concentreren in hun kerken (crypten) of errond (kerkhoven).

In de IJzertijd komt alleen de crematiecultus voor. Grafvelden uit deze tijd werden bij ons teruggevonden aan de Achelse Dijk, de Witteberg, Pastoorsbos, en de Haart. Ze werden gepubliceerd door de Nationale Dienst voor Opgravingen.
 
terug